het oog. In het oog zien we
als eerste het hoornvlies (cornea). Dit is feitelijk een raam
waardoor het oog licht ontvangt. Om het hoornvies bevindt zich de
witte sclera dat een soort van verpakking is voor alles wat zich in
het oog bevindt en waaraan zich de oogspieren hechten. In het midden
bevindt zich de gekleurde iris (pupil) dat de hoeveelheid licht dat
door het hoornvlies valt reguleert. Het kan beschouwd worden als een
soort diafragma dat kleiner en groter wordt afhankelijk van de
hoeveelheid licht dat door het hoornvlies valt. Als het donker is
gaat de iris open, als het licht wordt gaat de iris sluiten.
Achter de iris bevindt zich
de lens dat een soort van richtorgaan is om het licht dat het oog
binnenkomt te geleiden en te richten naar de correcte plek op de
retina. De retina ligt achter in het oog en is bezaaid met
receptoren die het licht absorberen en vervolgens omzetten in
elektrische signalen die naar het brein worden gestuurd. De ruimte
tussen de retina en lens is gevuld met een gel en houdt het oog op
druk en helpt de lens bij het richten van het licht op de retina.
Achter de retina zitten ook nog de tapetum lucida die bij honden van
groot belang zijn. Deze cellen reflecteren namelijk het licht en
zorgen zo dat het zicht in het donker beter wordt. Overigens zijn
deze cellen bij alle nachtdieren belangrijk.
De oogleden van de hond
bezitten enkele bijzondere kenmerken. Onder het bovenste ooglid
bevindt zich de traanklier die ervoor zorgt dat het hoornvlies
vochtig blijft en niet ontstoken raakt.
Het oog van de hond
beschikt over een speciaal drainagesysteem om te voorkomen dat de
ogen voortdurend tranen. Zowel in het bovenste als in het onderste
ooglid is een kort buisje aanwezig in de binnenste ooghoek. Deze
lopen samen tot een enkele traanbuis, die net zoals bij ons het
traanvocht afvoert naar de neusholte.
De oogwimpers :zowel bovenste
als onderste oogleden hebben wimpers.
Het derde ooglid: gaat
grotendeels schuil onder het onderste ooglid en fungeert als een
soort ruitenwisser. Het is een mechanisme voor het verwijderen van
vuiltjes. Wanneer het derde ooglid plots zichtbaar blijft, kan dit
op ziekte wijzen. Let dan ook op andere symptomen.
Het gezichtsvermogen van
honden is ondergeschikt aan dat van de mens. De gezichtsscherpte van
een hond ligt ongeveer tussen de 5 en 80 meter, hetgeen nog geen 20%
van het menselijk vermogen is. Op grotere afstanden kan de hond geen
stilstaande objecten herkennen. Bewegende objecten kan de hond over
wat langere afstanden wel waarnemen. De maximale afstand om
bewegende objecten waar te nemen is rasafhankelijk en varieert
tussen de 800 en 1000 meter.
Vroeger werd aangenomen, dat
honden enkel grijstonen of 'zwart-wit' konden zien. Uit nader
onderzoek is echter gebleken dat honden wel degelijk kleuren kunnen
zien, maar wel anders dan de mens.
Het oog van de hond bevat,
zoals bij alle zoogdieren twee verschillende receptoren. De staafjes
zijn voor de waarneming van grijstonen verantwoordelijk, de
kegeltjes voor het zien van kleuren. In het oog zijn meer staafjes
dan kegeltjes, en staafjes hebben minder licht nodig om een signaal
aan de hersenen te geven .De kegeltjes zorgen voor het kleurenzien,
indien er genoeg licht aanwezig is.
In het oog van honden is
zoals bij de meeste zoogdieren een speciale anatomische structuur
(Tapetum lucidum) aanwezig, dat invallend licht terugkaatst, en zo
het bestaande licht versterkt. Dit verklaart, waarom honden in de
schemering veel beter kunnen zien dan mensen (bij wie deze structuur
afwezig is).
Het oog van de hond heeft 2
verschillende types kegeltjes, die op groen of blauw licht reageren.
Dit in tegenstelling tot de mens, die over 3 verschillende types
beschikt, die op rood, groen en blauw licht reageren. Hierdoor wordt
bij de hond maar een deel van het menselijk spectrum afgedekt. Rood
is een kleur die de hond niet kent, en als (donker)groen waarneemt.
Een rode bal in het gras is voor de hond dus lastig te zien.
Daarbij komt dat honden
uiterst gevoelig zijn voor het zien van bewegingen op grote afstand.
Roerloze objecten nemen ze minder goed waar. Zo kan het dat een hond
perfect een door de lucht zwevende tennisbal kan vangen en niet eens
een bal kan vinden die roerloos in zijn gezichtsveld ligt.
Het gezichtsbereik van de hond is circa 240 graden. Het
is duidelijk groter dan dat van de mens, mede door de zijdelings
implantatie van de ogen op de schedel. Het bereik waarin een hond
drie-dimensionaal kan zien is met 120 graden ongeveer even groot als
dat van de mens.