Bij Mens en dier komen
zeer vele ziekten voor. Een groep daarvan is deels of geheel
erfelijk bepaald. Naarmate er meer onderzoek wordt verricht,
worden er steeds meer van dergelijke erfelijke ziekten bekend.
Zo zijn er thans bij de mens vele duizenden erfelijke
afwijkingen beschreven.
Bij de hond loopt het
aantal bekende afwijkingen in de honderden.
Een aanzienlijk deel
hiervan wordt gevormd door de groep van de erfelijke
oogafwijkingen.
Een groot deel van de
erfelijke afwijkingen bestaat uit zelden voorkomende ziekten.,
die vaak alleen bij één specifiek ras zijn gevonden.
Een ander deel van de
erfelijke afwijkingen komt vrijwel bij alle rassen voor, en
geeft bij sommige rassen wel, en bij andere rassen weinig
problemen.
Dit afhankelijk van de
verspreiding van de ziekte binnen het ras, het soort afwijking
en de mate waarin, al of niet gewild, tegen een afwijking is
geselecteerd.
Wij als team van de
Tibetaanse Terriër Nieuwssite willen u enkele oogafwijkingen
uitleggen die bij de Tibetaanse Terriër kunnen voorkomen.
De bouw van het oog
Voor een optimaal begrip
van de oogafwijkingen is het goed de bouw en het functioneren
van het oog in het kort te bespreken.
De kwetsbare oogbollen
worden beschermd door de rondom de oogbol liggende weefsels.
In de eerste plaats is er de stevige, uit bot bestaande,
oogkas; verder zijn er de zachte weefsels in en rond de oogkas
en de oogleden. De randen van de boven- en onderoogleden
moeten goed aansluiten aan de oogbol; de ooglidrand hoort dus
niet naar binnen (entropion) of naar buiten (ectropion) om te
krullen en de oogspleet hoort qua lengte goed te passen bij de
grootte van de oogbol. Bij het geopende oog mag het oogwit dan
ook niet of nauwelijks zichtbaar zijn. De randen van de
oogleden behoren onbehaard, glad en vrijwel zwart
gepigmenteerd te zijn. Honden (en katten) hebben dus geen
wimpers, geplaatst zoals bij de mens. Op het buitendeel van de
boven ooglidrand zitten wel wimperachtige haren, maar zij zijn
circa 1 mm buiten de rand geïmplanteerd.
Bij de meeste
diersoorten bestaat een "derde ooglid". Dit is een uitgroeisel
van het bindvlies, dat vanuit de binnenooghoek over het oog
klapt, als de oogbol in de oogkas wordt getrokken. Het derde
ooglid heeft, evenals het boven- en onderooglid, een zeer
belangrijke beschermende functie en het bevat een traanklier
die ongeveer 30% van de totale traanproductie verzorgt. Het
verwijderen van het derde ooglid is dan ook ten sterkste af te
raden! De traanklieren produceren het traanvocht. Hierdoor
worden het hoornvlies en de bindvliezen glad gehouden en
beschermd tegen uitdroging en infecties. De wand van de oogbol
zelf bestaat uit het "oogwit", de harde oogrok of scelera. Aan
de voorzijde bevindt zich hierin een doorzichtig deel, het
hoornvlies (cornea). Dit kan worden beschouwd als het venster,
waardoor licht de bol kan binnenkomen. Aan de achterkant van
het oog bevindt zich in de harde oogrok een opening, waardoor
de oogzenuw het oog binnenkomt. In het oog zijn van voor naar
achter de volgende structuren aanwezig:
Direct achter het
hoornvlies ligt de met kamerwater gevulde voorste oogkamer.
Het kamerwater houdt de oogbol op de juiste spanning (16-20 mm
kwik, dat wil zeggen ongeveer zo hard als een zachte
fietsband). Het kamerwater wordt doorlopend nieuw aangemaakt
en dus ook weer afgevoerd uit de oogbol. Het geproduceerde
"water" gaat via de pupil naar de hoek tussen de binnenzijde
van het hoornvlies en de voorzijde van het regenboogvlies.
Daar wordt het afgevoerd via de drainagehoek, die is te
vergelijken met een zeef naar het bloedvaatstelsel. De
achterzijde van de voorste oogkamer wordt begrensd door het
regenboogvlies (iris). Deze is bij de hond meestal bruin van
kleur. Bij uitzondering bevindt zich in het voorste deel van
de iris geen pigment, waardoor de deze dan (deels) wit is en
de pupil soms rood kan oplichten. Een dergelijk oog wordt ook
wel maanoog genoemd; deze komen vrij vaak voor bij dieren met
een "blue merle" aftekening. Centraal in de iris is een
opening aanwezig, de pupil. Door spiertjes in de iris kan de
pupil kleiner en groter worden. In fel licht behoort de
pupilopening klein te worden en te blijven en bij duisternis
groot. Achter pupil en iris bevindt zich de lens, waarmee het
binnenkomende beeld wordt scherpgesteld op het netvlies. De
lens behoort daarom helder te zijn. De normale lens kent
echter wel een verouderingsproces, waarbij vanaf circa
6-jarige leeftijd een grauwe waas (sclerose) in het centrale
deel optreedt. Dit is normaal en veroorzaakt géén blindheid.
(Abnormale troebelingen van de lens komen veel voor en worden
cataract of grauwe staar genoemd). Achter de lens wordt het
oog opgevuld door glasvocht (vitreum), dat uit een
geleiachtige substantie bestaat. De achterzijde van het oog is
aan de binnenkant bekleed met een tweetal vliezige lagen,
namelijk het netvlies of retina en
daarachter het zeer donker gepigmenteerde
vaatvlies of choroidea. Het netvlies bestaat uit een dunne,
doorzichtige laag zenuwweefsel, waarop het beeld door de lens
wordt scherpgesteld. Als het licht op de retina valt wordt een
deel van dit licht opgenomen, de rest gaat er doorheen en
wordt uitgedoofd in het gepigmenteerde deel van het vaatvlies,
behalve in het bovenste centrale deel hiervan. Daar bevindt
zich een geelgroene reflectorlaag, die het licht terugkaatst,
zodat het een tweede keer op het netvlies valt. Door deze
reflectorlaag ontstaat het oplichten van de honden of
kattenogen als er 's avonds licht van de autolampen op valt.
Als de pigmenten in het vaatvlies ontbreken valt het licht
direct op de vaten van het vaatvlies. Dit licht hierdoor rood
op. Dit veroorzaakt de rode pupil bij een maanoog. Het
vaatvlies dient verder voor de voeding en afvoer van
afbraakproducten van de lichtgevoelige cellen van het
netvlies. In het netvlies liggen twee soorten lichtgevoelige
cellen, namelijk de staafjes en kegeltjes, die het er
opvallende licht registreren. De staafjes staan
"aangeschakeld" bij weinig licht (schemerdonker); door de
staafjes kan alleen een zwart/wit beeld worden geleverd. Zij
zijn bij de hond veruit in de meerderheid. De kegeltjes doen
hun werk in situaties met veel licht. Door de kegeltjes is het
kleuren zien mogelijk. Ook de netvliezen bij de hond bevatten
kegeltjes; het vermogen tot kleuren zien lijkt bij de hond
echter een minder belangrijke rol te spelen. De door de
staafjes en kegeltjes ontvangen lichtprikkels komen via
zenuwvezeltjes terecht bij de "blinde vlek"; hier worden alle
zenuwvezels vanuit het netvlies gebundeld tot de oogzenuw. Via
deze zenuw worden de signalen naar de hersenschors geleid,
waar alle afzonderlijke prikkels tot een beeld worden
samengevoegd; zo komt het eigenlijke "zien" tot stand.
Lensluxatie (lens
loslating)
Wat is lensluxatie?
Door het ontbreken of
kapot gaan van haar ophangbandjes van, kan de lens loslaten en
van haar plaats raken.
Wat zijn de
verschijnselen?
De losliggende lens kan zich verplaatsen naar
achteren, richting netvlies, of naar voren, tot tegen het
hoornvlies. De lens en/of het glasvocht kunnen hierbij de
passage of de afvoer van het kamerwater uit het oog blokkeren
met secundair glaucoom tot gevolg (zie glaucoom). Het vroegst
herkenbare symptoom van lensluxatie vormt het weglekkende
glasvocht, dat als zeer ijle witte wolkjes over de pupilrand,
voor in het oog hangt. Dit is jammer genoeg meestal alleen met
een spleetlampmicroscoop te ontdekken. Meestal was er eerst
niets aan de hond te merken en breken plotseling (bijvoorbeeld
als de hond zich ergens over opwindt) de laatste nog intacte
ophangbandjes. Het oog is dan plots slechtziend of geheel
blind. Als de lens zich verplaatst, komt een maanvormig "deel"
vrij tussen de pupilrand en de lens. Dit is soms bij een
bepaalde lichtinval te zien. Een enkele keer kan men iets zien
wiebelen in het oog. Bevindt de lens zich geheel voor in het
oog, dan is deze soms als een glazige schijf herkenbaar. De
pupil is dan nauwelijks meer herkenbaar. Is reeds een te hoge
oogdruk (glaucoom) opgetreden, dan zal het hoornvlies blauw
worden. Het oog is dan ook pijnlijk en blind.
Hoe en wanneer is
lensluxatie vast te stellen?
IS BIJ EEN HOND (met
name bij KLEINE TERRIËRS) EEN OOG PLOTS BLAUW OF BLIND, DAN IS
HET AAN
|
|
Bij deze Terriër
is de lens in beide ogen geluxeerd. De witte pijltjes
wijzen de lens aan. De zwarte pijltjes wijzen de plaats
aan waar de lens absent is. |
|
|
TE BEVELEN HET OOG, OP ZEER KORTE TERMIJN, TE
LATEN ONDERZOEKEN DOOR UW DIERENARTS.
Om de vroegste vormen op
te sporen moeten de ogen met een spleetlampmicroscoop worden
gecontroleerd. Dit kan alleen bij een aantal dierenartsen die
zich hierop hebben toegelegd en hiervoor ook zijn toegerust.
Wat is er aan te doen?
Als de lens geheel los
ligt moet de lens operatief uit het oog worden verwijderd. Bij
de hond dient dit binnen enkele dagen te worden verricht. In
de tussenperiode dient de patiënt al vast medicijnen te
krijgen om de druk in het oog normaal te houden of te
normaliseren. (zie Glaucoom). De dieren blijven na de operatie
iets gehandicapt. Tafel- en stoelpoten, trappenlopen, kleinere
sprongen etc. leveren echter geen problemen meer op. De
oogdruk stijging is na de operatie meestal verdwenen; als het
glaucoom toch terug komt is er wel een probleem. Zie verder
bij glaucoom.
Wat is de oorzaak?
De ophangbandjes van de
lens kunnen afwijkend zijn aangelegd, degenereren of bij
uitzondering direct breken (zeer harde klap op de oogbol). Bij
een aantal van de kleinere terriërrassen is de lensluxatie het
gevolg van een erfelijk defect, dat meestal recessief overerft
(Duitse jacht-, Tibetaanse-, Welsh-, Fox-, Jack Russel- en
Dandie Dinmondterrier, Border collie, Shar Pei).
Hoe kan het worden
voorkomen?
Honden met een
lensluxatie dienen te worden uitgesloten van de fokkerij. Ook
de ouderdieren kunnen beter niet meer voor de fok worden
gebruikt. Indien het aantal voor de fokkerij beschikbare
dieren dit toelaat kunnen de broertjes en zusjes ook beter
niet voor de fok worden ingezet. Dit daar er een sterk
verhoogde kans is dat ook zij drager zullen zijn.
Glaucoom of groen staar
(hoge oogdruk)
Wat is glaucoom?
Glaucoom of groene staar
is een oogbeschadiging ten gevolge van een verhoogde druk in
het oog. De verhoogde druk ontstaat bij de hond vrijwel altijd
door een blokkade in de afvoer van het kamerwater uit het oog.
Het kan berusten op een erfelijke afwijking (primair
glaucoom), of het gevolg zijn van een andere oogafwijking,
bijvoorbeeld het loslaten van de lens of van een ontsteking in
het oog (secundair glaucoom).
Wat zijn de
verschijnselen?
Er treedt plotseling
(soms binnen een dag) of in het begin ook wel aanvalsgewijs
een sterke drukverhoging in de oogbol op. Het oog doet pijn,
de bindvliezen zijn rood dooraderd, het hoornvlies ziet
"blauw" en de pupil staat wijd open en reageert niet meer op
licht. Het netvlies kan niet meer functioneren door de hoge
druk. Als er niet snel wordt ingegrepen is een dergelijk oog
binnen circa één week definitief blind. Op de duur wordt de
oogbol groter en de pijn blijft aanhouden.
Hoe en wanneer is
glaucoom vast te stellen?
|
|
Bij deze
illustratie ziet u dat de lens (witte pijl) naar
achter is gevallen. De zwarte pijl geeft de plaats aan
waar de lens absent is. |
|
|
IS BIJ EEN HOND EEN OOG
PLOTS "BLAUW" OF BLIND, DAN IS HET AAN TE BEVELEN HET OOG, OP
ZEER KORTE TERMIJN, TE LATEN ONDERZOEKEN DOOR UW DIERENARTS EN
BIJ (VERDENKING OP) EEN VERHOOGDE DRUK EEN BEHANDELING TE
LATEN INSTELLEN. HET IS TEVENS AAN TE BEVELEN DE DRUK VAN HET
OOG TE LATEN METEN.
Wat is er aan te
doen?
De patiënt moet snel
oogdruk verlagende medicijnen toegediend krijgen Meestal zal
de patiënt door de eigen dierenarts worden doorgestuurd naar
een specialist.
Onze hond is blind, en
nu???
Het komt voor dat een
hond blind is of wordt door een oogziekte of een verwonding.
Het is goed om zich af
te vragen wat dit voor de hond betekent. Het oog is voor de
hond gelukkig een minder belangrijk zintuig. De hond leeft in
en wereld van geuren en geluiden en van voelen. De ogen geven
slechts aanvullende informatie en zijn veel minder goed dan
die van de mens. Aangeboren blindheid, of op heel jeugdige
leeftijd verkregen (nacht)blindheid wordt bij een jonge,
opgroeiende hond vaak pas in een zeer laat stadium ontdekt,
omdat de hond de handicap zo goed weet te camoufleren. De hond
weet niet beter!! De jonge hond dolt rond en stoot zich
misschien iets vaker. Soms valt alleen op dat de pup de
anderen meer volgt en zelden het initiatief neemt.
Ook oudere dieren passen
zich ongelofelijk goed aan. Sommige dieren blaffen s'avonds
wat sneller, of zijn wat angstiger. Zelfs als de hond geheel
blind is, zal hij het meubilair in huis prima blijven
ontwijken en enthousiast blijven spelen. Ook met de bal
en met de stok. Als ze maar geleidelijk aan blind worden.
Totdat de meubels worden verplaatst, de stofzuiger ergens
anders op een onverwachte plek blijft staan of de hond
in een nieuwe omgeving komt. Dan valt de blindheid pas op.
Wordt de hond plots bind, dan kost het wat meer moeite
en valt het aanpassingsproces meestal wel op. Als de hond voor
de jacht of de training moet worden gebruikt zal de hond met
ernstige oogafwijkingen zich af en toe stoten of verkeerd
springen of ernaast grijpen. Dan is er natuurlijk wél een
probleem om dat werk te kunnen blijven doen. Als huishond
is dat probleem er vrijwel niet. Natuurlijk moet de hond
in het verkeer aan de lijn blijven. In het bos of veld of bij
zwemmen in open water moet hij voor u binnen gezichtafstand
blijven. In huis is het beter de mand niet ergens in een hoek
te zetten, maar zó te plaatsen, dat de hond bij wakker
schrikken weet dat hij achteruit weg kan. Hij mag niet het
gevoel krijgen in een hoek of onder tafel te worden gedrongen
zonder weg te kunnen. Dat wil zeggen dat men vooral
voorzichtig dient te zijn als er kleine kinderen in de buurt
zijn. Als zij bij het spelen de hond laten schrikken, kan de
hond zich bedreigd voelen en uit angst bijten. Maar op zich is
blindheid bij een hond geen enkele reden voor euthanasie!!!
Het onderzoek op erfelijke
oogafwijkingen
Het oogonderzoek wordt
in Nederland door acht dierenartsen (situatie 2005) op diverse
locaties uitgevoerd. Zij vormen het Nederlandse Oogpanel, dat
door de European College of Veterinary Ophthalmologists
(www.ecvo.org) is erkend. Naast het onderzoek bij individuele
honden, dat meestal in een dierenkliniek plaatsvindt, worden
ook onderzoeken bij grotere groepen honden uitgevoerd op door
rasverenigingen of fokkers georganiseerde bijeenkomsten.
De registratie van de
uitslagen is in handen van de Raad van Beheer op Kynologisch
gebied.
Om welke afwijkingen
gaat het?
Bij het onderzoek wordt
gezocht naar alle afwijkingen waarvan een erfelijke basis
bekend is. Het "rapport oogonderzoek" vermeldt 17 afwijkingen
bij naam.
Vanaf welke leeftijd
moet een hond worden onderzocht?
In veel gevallen wordt
tussen 12 en 18 maanden leeftijd begonnen met het onderzoek.
Waarom moet er jaarlijks
worden onderzocht?
|
|
Bij deze hond is
de lens al een tijdje eerder geluxeerd(losgelaten).Er
heeft zich ook nog en glaucoom gevormd. De capsule rond
de lens is waarschijnlijk gescheurd,of week geworden,
waardoor er zich ook nog een ontsteking zou kunnen
vormen. |
|
|
Een aantal afwijkingen
(bijvoorbeeld lensluxatie, cataract, PRA) ontstaat pas na
enkele jaren. Een éénmalige test is dan niet voldoende, de
afwijking kan zich immers nog later openbaren.
Tot welke leeftijd moet
een hond worden onderzocht?
Bij rassen waarvan
bekend is dat nog op hoge leeftijd erfelijke oogafwijkingen
naar voren kunnen komen, zal onderzocht moeten worden zolang
de hond nog nakomelingen produceert.
Hoe verloopt het
oogonderzoek?
Om het gehele oog goed
te kunnen bekijken worden oogdruppels toegediend waardoor de
pupil open gaat staan. De druppels werken na ongeveer 20
minuten, de pupil blijft daarna circa 4 uur wijd. De hond
wordt in een verduisterde ruimte bekeken. Vóór het onderzoek
wordt het "rapport oogonderzoek" ingevuld en ondertekend door
de eigenaar/houder, waarmee deze toestemming geeft om de
uitslag door te geven aan de Raad van Beheer. De Raad geeft de
uitslag door aan de Rasvereniging als er een overeenkomst
tussen deze twee partijen is. Ook wordt voor het onderzoek de
identificatie (transponder of tatouage) van de hond
gecontroleerd.
Het oogonderzoek gebeurt
zonder enige sedatie ("roesje") en is beslist niet pijnlijk.
De uitslag is gelijk
bekend en wordt op het "rapport oogonderzoek" vermeld.
Betekenis van de
uitslag.
"Vrij": het dier
vertoont geen verschijnselen van de aangegeven, als erfelijk
beschouwde oogziekte. Let op, dit betekent niet dat het dier
de afwijking niet kan doorgeven aan de nakomelingen. Het kan
een drager zijn. Ook is het niet uit te sluiten, dat het dier
de afwijking later alsnog kan krijgen.
"Niet vrij": het dier
vertoont de klinische symptomen van de erfelijke oogziekte.
"Onbeslist": zeer
geringe afwijkingen, die mogelijk passen bij het klinische
beeld van de erfelijke oogziekte; deze zijn echter onvoldoende
specifiek. "Onbeslist" betekent niet dat de onderzoeker het
niet weet! Er zijn wel degelijk afwijkingen van het normale
beeld bij de hond aanwezig, maar ze zijn niet duidelijk genoeg
aanwezig om de hond "niet vrij" te verklaren.
"Voorlopig niet vrij":
Geringe afwijkingen passend in het klinisch beeld van de als
erfelijk beschouwde oogziekte. Voortschrijden van het proces
moet dit bevestigen. Meestal wordt na een half jaar de hond
opnieuw beoordeeld.
Wat moet u meenemen voor
het onderzoek?
De hond en de stamboom.
Bij het onderzoek van een nest moet u de formulieren meenemen
die door de Raad van Beheer zijn uitgereikt zoals de 'aanvraag
stamboom' waarop de chipnummers zijn ingevuld of opgeplakt
Panelbijeenkomsten.
Vier maal per jaar komt
het oogpanel bijeen op de Universiteits Kliniek voor
Gezelschapsdieren in Utrecht. Op deze bijeenkomsten worden
honden onderzocht, waarbij door een onderzoeker afwijkingen
zijn vastgesteld die nader onderzoek nodig maken, bijvoorbeeld
omdat het voor de onderzoeker niet zeker is dat een
vastgestelde afwijking in het beeld van een erfelijke
afwijking past. Ook zijn er situaties waarbij door de ECVO
wordt voorgeschreven dat de hond op een panelbijeenkomst
opnieuw wordt beoordeeld.
Wat kunnen wij als fokkers
doen?
Wij, als fokkers en
liefhebbers van ons geliefde ras de Tibetaanse Terriër streven
er naar een zo gezond mogelijke hond te fokken. Wij laten onze
honden jaarlijks onderzoeken op erfelijke oogafwijkingen. Ook
bestaat er een Internationale lijst, (Tibetan Terriër
International Sweden, in het kort TIIS list) http:
//home.swipnet.se/TTInt/
Het is een soort van databank van de Tibetaanse Terriër waar
alle fokkers en/of verenigingen over de gehele wereld hun
informatie betreffende de uitslagen van de onderzochte honden
naar toe kunnen sturen. Deze lijst wordt op het web geplaatst,
zodat alle fokkers die informatie hierover willen,inzicht
krijgen in de situatie die zich op dit moment voor doet
betreffende de gevallen (lijders) en dragers ( meestal
ouderdieren en/of broers en zussen van een lijder) van ons
ras, en aan de hand van deze gegevens hun fokprogramma kunnen
aanpassen.