|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
We vervolgen onze cursus met
de belichting van
een opname. Dit is tevens mijn
laatste bijdrage aan de
basis-technieken van de
digi-fotografie. Ik hoop dat
jullie er iets aan gehad hebben.
Deze keer geen foto's,
het lijkt mij namelijk leuk om zelf
te stoeien met de diverse instellingen, die hieronder behandelt worden.
Veel succes in de Digi-wereld.
Ab van Polanen.
Heel simpel voorgesteld, is een camera een afgesloten doos met en gat er. In deze
doos bevindt de elektronische sensor. Zolang het gat gesloten is, kan er
geen licht bij sensor komen. Komt er te veel licht binnen dan raakt de
foto overbelicht, komt er te weinig licht binnen dan raakt de foto
onderbelicht. De camera zal er daarom voor zorgen, of de camera biedt jou
de mogelijkheid, om het gat precies lang genoeg te openen en op tijd te
sluiten.
Een juiste belichting wordt - naast een goede objectkeus en een goede
compositie - beschouwd als één van de belangrijkste voorwaarden voor een
geslaagde foto. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
fotografie AB van Polanen
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Ook wanneer je werkt met een
automatische camera waarbij je zelf niets kunt instellen, is het
belangrijk dat je de verschillende factoren kent die invloed hebben op de
belichting:
* sluitertijd,
* diafragma
* ISO-waarde
Belichting
De belichting is de hoeveelheid
licht die de CMOS-chip ontvangt. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Je camera bepaalt deze
lichthoeveelheid afhankelijk van de grootte van het diafragma (de
lensopening) en de tijd dat de sluiter open staat. Door deze beide
grootheden te variëren kun je niet |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
alleen onder verschillende
lichtomstandigheden zorgen voor een juiste belichting, maar kun je tevens
de scherptediepte bepalen. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
In de tabel worden deze variabelen
en hun onderlinge samenhang gegeven.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Sluitertijden
De meeste digitale camera's hebben
een vaste reeks sluitertijden: 8, 4, 2, 1, 1/2, 1/4, 1/8, 1/15, 1/30,
1/60, 1/125, 1/250, 1/500 en 1/1000 seconde. De nieuwste generatie
digitale camera's heeft zelfs al sluitertijden tot 1/2000 sec. Bij de
sluitertijden is elke volgende stop op de schaal steeds de helft van de
voorgaande stop: een stop van 1/125 laat twee keer zo veel licht op de CCD
vallen als 1/250 sec. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De sluitertijd bepaalt voor een
belangrijk deel de bewegingsonscherpte
op een foto. Bij lange sluitertijden zal niet
alleen het totale beeld onscherp zijn, als gevolg van bewegingen van de
camera, maar ook een bewegend onderwerp, bijvoorbeeld een rennende hond,
zal als een waas op de foto verschijnen. Snel bewegende onderwerpen moet
je dus met een hoge sluitertijd (1/125 sec. of korter ) fotograferen, om
de beweging te bevriezen. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Diafragma of Lensopening
De lensopening of het diafragma
wordt weergegeven in zogenaamde f-stops. Een veel voorkomende reeks
diafragmawaarden is bijvoorbeeld f2, 2.8, 4, 5,6, 8, 11, 16 en 22. Hierbij
staat de kleinste f-stop voor de grootste diafragma-opening en de grootste
f-stop voor de kleinste lensopening. Net als bij de sluitertijden is elke
volgende waarde het dubbele van de voorgaande: f4 laat dus twee keer zo
veel licht op de CCD vallen als f5.6. Het ingestelde diafragma bepaalt ook
de scherptediepte van je foto's. Hoe groter de F-waarde hoe meer
scherptediepte. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Scherptediepte
Scherptediepte is de afstand voor en
achter het punt waarop je scherpstelt, die aanvaardbaar scherp is. De
scherptediepte kan variëren door verandering van het diafragma: bij een
volledig open diafragma (F 2.8) heb je een geringe en bij een dicht
diafragma (F 22.0) een grote scherptediepte. Ook de opnameafstand
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
is van invloed op de scherptediepte:
hoe dichterbij je scherpstelt, des te korter wordt de scherptediepte bij
dezelfde diafragmaopening. Door deze wetmatigheid zal je dus altijd een
grote scherptediepte krijgen wanneer je op oneindig instelt, zelfs met een
grote lensopening. Dit is dan ook de reden dat (in de stand oneindig
gemaakte) landschapsportretten altijd een grote scherptediepte hebben. Bij
het ene onderwerp is een kleine scherptediepte en bij weer een ander
onderwerp een grote gewenst. Wanneer je bijvoorbeeld een onderwerp wilt
isoleren ten opzichte |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
van een onscherpe achtergrond, moet
je een groter diafragma( kleine is lage F-waarde) gebruiken. Wil je zowel
de voorgrond als de achtergrond scherp hebben, dan zul je dus voor een
klein diafragma (is hoge F-waarde) moeten kiezen.
ISO-waarden
Om het verhaal compleet te maken
introduceren we nu nog een derde variabele; de zogenaamde ISO-waarde.
Bij de digitale fotografie drukt men
de gevoeligheid van de CCD uit in zogenaamde ISO-equivalenten. De
meeste digitale beginnerscamera's hebben vaak een ISO-waarde tussen de 50
en 100, hetgeen inhoudt dat deze camera's heel veel licht nodig hebben om
een goed belichte foto te kunnen maken. De wat duurdere
(semi-)professionele camera's hebben variabele ISO-waarden van 100, 200,
400 en soms 1600. Bij het verhogen van de ISO-waarde maakt de digitale
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
camera een aantal elektronische
aanpassingen, waardoor er bij hoge ISO-waarden een korreliger beeld met
vervuiling ontstaat. Dit fenomeen is bij de duurdere camera's bijna
verdwenen.
Automatische Belichting
Bijna alle digitale camera's zijn
uitgerust met een automatische belichting, waarbij een belichtingsmeter de
hoeveelheid licht meet en de belichting automatisch voor je instelt. De
lichtmeter ziet de wereld als een grijskaart met een gemiddelde
grijswaarde (de gemiddelde grijswaarde reflecteert 18% van het licht dat
erop valt) wat weer overeenkomt met de grijswaarde van de gemiddelde foto.
In de meeste omstandigheden voldoet deze methode uitstekend.
Daarnaast kun je bij de meeste
camera's ook nog voor verschillende meetmethoden kiezen:
* matrixmeting: of
integraalmeting. Bij matrixmeting worden verschillende delen van het beeld
gemeten, waarna het patroon wordt
vergeleken met de
patronen die in het geheugen zitten. De camera kiest vervolgens een
belichting die zowel de schaduwgedeelten
als de lichte gedeelten
van de scène goed laat uitkomen. Dit is gewoonlijk de standaardinstelling
van de automatische belichting en
voldoet in de meeste
situaties prima;
* centraalmeting: dit is de
meest elementaire meetmethode en wordt door de meest eenvoudige camera's
toegepast. Bij deze methode
wordt het hele frame
gemeten, maar wordt de meeste aandacht geschonken aan het licht in het
middenste kwart van het frame.
Deze methode kun je
gebruiken wanneer het object zich in het midden bevindt en ongeveer de
gemiddelde grijswaarde heeft;
* spotmeting: bij een spotmeting wordt alleen het licht in het midden
van het frame gemeten. Dit is een handige methode wanneer de
achtergrond veel lichter
is dan het onderwerp, bijvoorbeeld een persoon tegen een lichte
achtergrond. Wanneer je spotmeting kiest,
moet je zorgen dat het
hoofdonderwerp zich in het midden van de zoeker bevindt, daarna vergrendel
je de belichting . Het verdient
weer de voorkeur om een
onderdeel in het kader te selecteren dat ongeveer overeenkomt met de
gemiddelde grijswaarde.
Belichtingscompensatie
De belichtingsautomaten van de
nieuwste digitale camera's zijn zo geavanceerd, dat je er in de meeste
situaties helemaal op kunt vertrouwen. Toch zijn er een aantal bijzondere
omstandigheden waarin je zelf iets slimmer moet zijn dan je
lichtingsmeter. Met de belichtingscompensatie kun je de belichting die de
camera met de automatische belichting kiest naar boven of naar beneden
bijstellen. Hoe je de belichtingscompensatie instelt varieert per camera,
maar meestal kun je kiezen uit +2, +1, 0, -1 en -2 stop. Door te kiezen
voor een positieve waarde belicht je de CCD ruimer en zal de afbeelding
lichter worden; door voor een negatieve waarde te kiezen wordt de
afbeelding korter belicht, dus donkerder.
Bijzondere lichtomstandigheden
Wat zijn nu de omstandigheden
waarbij je de ingebouwde belichtingsmeter moet compenseren? Alle
lichtmeters meten het licht dat weerkaatst wordt op jouw onderwerp. Nog
belangrijker is dat de meters gekalibreerd zijn om de juiste belichting te
geven als ze in aanraking komen met onderwerpen die ongeveer 18% van het
licht dat op hen valt reflecteren. Deze 18% die gereflecteerd wordt kan
visueel voorgesteld worden als een middengrijze kleur. Dus stel je voor
hoe middengrijs er uitziet (stoeptegels, of een vale spijkerbroek) en
houdt dat beeld vast. Om met behulp van de ingebouwde belichtingsmeter een
goede belichting te krijgen moet het onderwerp wat je fotografeert een
reeks tonen bevatten die wat reflecteren betreft gelijk zijn aan
grijstinten. Wanneer deze tonen ver naast de gemiddelde waarde liggen is
je belichtingsmeter niet in staat om dit verschil te herkennen. Dit houdt
in dat onderwerpen met veel lichte tonen zoals een sneeuwlandschap of
witte bloemen tegen een lichte achtergrond onderbelicht worden en
onderwerpen met veel donkere kleuren zullen overbelicht worden. De
onderstaande tabel kan als richtlijn worden gebruikt bij deze afwijkende
situaties.
Belichtingscompensatietabel:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Heeft u nog vragen over dit
onderwerp, neemt u gerust kontakt op met Ab, klik dan op onderstaande
fotograaf voor het e-mail adres |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||





