ab.gif
We vervolgen  onze cursus met de belichting van
een opname. Dit is tevens mijn laatste bijdrage aan de
basis-technieken van de digi-fotografie. Ik hoop dat
jullie er iets aan gehad hebben. Deze keer geen foto's,
het lijkt mij namelijk leuk om zelf te stoeien met de diverse instellingen, die hieronder behandelt worden. Veel succes in de Digi-wereld.

Ab van Polanen.

Heel simpel voorgesteld, is een camera een afgesloten doos met en gat er. In deze doos bevindt de elektronische sensor. Zolang het gat gesloten is, kan er geen licht bij sensor komen. Komt er te veel licht binnen dan raakt de foto overbelicht, komt er te weinig licht binnen dan raakt de foto onderbelicht. De camera zal er daarom voor zorgen, of de camera biedt jou de mogelijkheid, om het gat precies lang genoeg te openen en op tijd te sluiten.

Een juiste belichting wordt - naast een goede objectkeus en een goede compositie - beschouwd als één van de belangrijkste voorwaarden voor een geslaagde foto.
fotografie AB van Polanen
Ook wanneer je werkt met een automatische camera waarbij je zelf niets kunt instellen, is het belangrijk dat je de verschillende factoren kent die invloed hebben op de belichting:

* sluitertijd,
* diafragma
* ISO-waarde

Belichting
De belichting is de hoeveelheid licht die de CMOS-chip ontvangt.
Je camera bepaalt deze lichthoeveelheid afhankelijk van de grootte van het diafragma (de lensopening) en de tijd dat de sluiter open staat. Door deze beide grootheden te variëren kun je niet
alleen onder verschillende lichtomstandigheden zorgen voor een juiste belichting, maar kun je tevens de scherptediepte bepalen.
In de tabel worden deze variabelen en hun onderlinge samenhang gegeven.
f 2.8
f 4
f 5.8
f 8
f 11
f 16
1/4000 sec
1/2000 sec
1/1000 sec  
1/500 sec
1/250 sec
1/125 sec

Sluitertijden
De meeste digitale camera's hebben een vaste reeks sluitertijden: 8, 4, 2, 1, 1/2, 1/4, 1/8, 1/15, 1/30, 1/60, 1/125, 1/250, 1/500 en 1/1000 seconde. De nieuwste generatie digitale camera's heeft zelfs al sluitertijden tot 1/2000 sec. Bij de sluitertijden is elke volgende stop op de schaal steeds de helft van de voorgaande stop: een stop van 1/125 laat twee keer zo veel licht op de CCD vallen als 1/250 sec.
De sluitertijd bepaalt voor een belangrijk deel de bewegingsonscherpte op een foto. Bij lange sluitertijden zal niet alleen het totale beeld onscherp zijn, als gevolg van bewegingen van de camera, maar ook een bewegend onderwerp, bijvoorbeeld een rennende hond, zal als een waas op de foto verschijnen. Snel bewegende onderwerpen moet je dus met een hoge sluitertijd (1/125 sec. of korter ) fotograferen, om de beweging  te bevriezen. 
Diafragma of Lensopening

De lensopening of het diafragma wordt weergegeven in zogenaamde f-stops. Een veel voorkomende reeks diafragmawaarden is bijvoorbeeld f2, 2.8, 4, 5,6, 8, 11, 16 en 22. Hierbij staat de kleinste f-stop voor de grootste diafragma-opening en de grootste f-stop voor de kleinste lensopening. Net als bij de sluitertijden is elke volgende waarde het dubbele van de voorgaande: f4 laat dus twee keer zo veel licht op de CCD vallen als f5.6. Het ingestelde diafragma bepaalt ook de scherptediepte van je foto's. Hoe groter de F-waarde hoe meer scherptediepte.
Scherptediepte
Scherptediepte is de afstand voor en achter het punt waarop je scherpstelt, die aanvaardbaar scherp is. De scherptediepte kan variëren door verandering van het diafragma: bij een volledig open diafragma (F 2.8) heb je een geringe en bij een dicht diafragma (F 22.0) een grote scherptediepte. Ook de opnameafstand
is van invloed op de scherptediepte: hoe dichterbij je scherpstelt, des te korter wordt de scherptediepte bij dezelfde diafragmaopening. Door deze wetmatigheid zal je dus altijd een grote scherptediepte krijgen wanneer je op oneindig instelt, zelfs met een grote lensopening. Dit is dan ook de reden dat (in de stand oneindig gemaakte) landschapsportretten altijd een grote scherptediepte hebben. Bij het ene onderwerp is een kleine scherptediepte en bij weer een ander onderwerp een grote gewenst. Wanneer je bijvoorbeeld een onderwerp wilt isoleren ten opzichte
van een onscherpe achtergrond, moet je een groter diafragma( kleine is lage F-waarde) gebruiken. Wil je zowel de voorgrond als de achtergrond scherp hebben, dan zul je dus voor een klein diafragma (is hoge F-waarde) moeten kiezen.

ISO-waarden
Om het verhaal compleet te maken introduceren we nu nog een derde variabele; de zogenaamde ISO-waarde.
Bij de digitale fotografie drukt men de gevoeligheid van de CCD  uit in zogenaamde ISO-equivalenten. De meeste digitale beginnerscamera's hebben vaak een ISO-waarde tussen de 50 en 100, hetgeen inhoudt dat deze camera's heel veel licht nodig hebben om een goed belichte foto te kunnen maken. De wat duurdere (semi-)professionele camera's hebben variabele ISO-waarden van 100, 200, 400 en soms 1600. Bij het verhogen van de ISO-waarde maakt de digitale
camera een aantal elektronische aanpassingen, waardoor er bij hoge ISO-waarden een korreliger beeld met vervuiling ontstaat. Dit fenomeen is bij de duurdere camera's bijna verdwenen.

Automatische Belichting
Bijna alle digitale camera's zijn uitgerust met een automatische belichting, waarbij een belichtingsmeter de hoeveelheid licht meet en de belichting automatisch voor je instelt. De lichtmeter ziet de wereld als een grijskaart met een gemiddelde grijswaarde (de gemiddelde grijswaarde reflecteert 18% van het licht dat erop valt) wat weer overeenkomt met de grijswaarde van de gemiddelde foto. In de meeste omstandigheden voldoet deze methode uitstekend.
Daarnaast kun je bij de meeste camera's ook nog voor verschillende meetmethoden kiezen:
matrixmeting:  of integraalmeting. Bij matrixmeting worden verschillende delen van het beeld gemeten, waarna het patroon wordt
  vergeleken met de patronen die in het geheugen zitten. De camera kiest vervolgens een belichting die zowel de schaduwgedeelten
  als de lichte gedeelten van de scène goed laat uitkomen. Dit is gewoonlijk de standaardinstelling van de automatische belichting en
  voldoet in de meeste situaties prima;
centraalmeting:  dit is de meest elementaire meetmethode en wordt door de meest eenvoudige camera's toegepast. Bij deze methode
  wordt het hele frame gemeten, maar wordt de meeste aandacht geschonken aan het licht in het middenste kwart van het frame.
  Deze methode kun je gebruiken wanneer het object zich in het midden bevindt en ongeveer de gemiddelde grijswaarde heeft;
* spotmeting: bij een spotmeting wordt alleen het licht in het midden van het frame gemeten. Dit is een handige methode wanneer de
  achtergrond veel lichter is dan het onderwerp, bijvoorbeeld een persoon tegen een lichte achtergrond. Wanneer je spotmeting kiest,
  moet je zorgen dat het hoofdonderwerp zich in het midden van de zoeker bevindt, daarna vergrendel je de belichting . Het verdient
  weer de voorkeur om een onderdeel in het kader te selecteren dat ongeveer overeenkomt met de gemiddelde grijswaarde.

Belichtingscompensatie
De belichtingsautomaten van de nieuwste digitale camera's zijn zo geavanceerd, dat je er in de meeste situaties helemaal op kunt vertrouwen. Toch zijn er een aantal bijzondere omstandigheden waarin je zelf iets slimmer moet zijn dan je lichtingsmeter. Met de belichtingscompensatie kun je de belichting die de camera met de automatische belichting kiest naar boven of naar beneden bijstellen. Hoe je de belichtingscompensatie instelt varieert per camera, maar meestal kun je kiezen uit +2, +1, 0, -1 en -2 stop. Door te kiezen voor een positieve waarde belicht je de CCD ruimer en zal de afbeelding lichter worden; door voor een negatieve waarde te kiezen wordt de afbeelding korter belicht, dus donkerder.

Bijzondere lichtomstandigheden
Wat zijn nu de omstandigheden waarbij je de ingebouwde belichtingsmeter moet compenseren? Alle lichtmeters meten het licht dat weerkaatst wordt op jouw onderwerp. Nog belangrijker is dat de meters gekalibreerd zijn om de juiste belichting te geven als ze in aanraking komen met onderwerpen die ongeveer 18% van het licht dat op hen valt reflecteren. Deze 18% die gereflecteerd wordt kan visueel voorgesteld worden als een middengrijze kleur. Dus stel je voor hoe middengrijs er uitziet (stoeptegels, of een vale spijkerbroek) en houdt dat beeld vast. Om met behulp van de ingebouwde belichtingsmeter een goede belichting te krijgen moet het onderwerp wat je fotografeert een reeks tonen bevatten die wat reflecteren betreft gelijk zijn aan grijstinten. Wanneer deze tonen ver naast de gemiddelde waarde liggen is je belichtingsmeter niet in staat om dit verschil te herkennen. Dit houdt in dat onderwerpen met veel lichte tonen zoals een sneeuwlandschap of witte bloemen tegen een lichte achtergrond onderbelicht worden en onderwerpen met veel donkere kleuren zullen overbelicht worden. De onderstaande tabel kan als richtlijn worden gebruikt bij deze afwijkende situaties.

 Belichtingscompensatietabel:
Onderwerp
compensatie
Sneeuwlandschap in helder zonlicht
+ 2 stops
Sneeuwlandschap bij bewolkt weer
+ 1,5 stops
Wit onderwerp dat het kader vult
+ 2 stops
Klein onderwerp tegen witte achtergrond
+ 2 stops
Groot onderwerp tegen witte achtergrond
+ 1 stop
Landschap onder een heldere hemel
+ 1 / + 3 stop
Onderwerp fel verlicht door de zon
+ 2 stops
Klein onderwerp tegen donkere achtergrond
- 2 stops
Groot onderwerp tegen donkere achtergrond
- 1 stop
Donker voorwerp dat het kader vult
- 2 stops
Heeft u nog vragen over dit onderwerp, neemt u gerust kontakt op met Ab, klik dan op onderstaande fotograaf voor het e-mail adres 
nextdog1.gif
nextdog2.gif
Copyright © Tibetaanse Terrier Nieuws Site
Honden79.gif
ab.gif
 
ab2.gif